Het Ras

 Korte geschiedenis van het ras (Polski Owczarek Podhalanski)

Het ras is oud en het rastype komt in grote delen van Oosteuropa voor. De hond wordt in het hele gebied als herders- en waakhond gebruikt. Het ras stamt van het Tatragebergte in de Karpaten in het zuidelijke deel van Polen en wordt daarom Tatrahond genoemd. De Tatrahond is een uitstekende herders- en waakhond, niet in het minst in de bergachtige en moeilijk begaanbare streken waar hij vandaan komt, maar hij wordt ook gebruikt als politie- en geleidehond. Hij heeft een rustig karakter, een natuurlijke waardigheid, moed en leiderskwaliteiten en vereist in dat opzicht een ervaren eigenaar en leider. Met zijn trotse voorkomen en mooie witte vacht is hij een imposante verschijning.

Rasbeschrijving

De Tatrahond is een grote, rechthoekige en imposante herdershond.

Hoofd: krachtig en droog, met een licht gewelfde schedel en uitgesproken voorhoofdsgroef. Duidelijke stop doch niet doorbroken, de snuit is iets langer dan de schedel. Rechte en brede neusrug, normale en goed gepigmenteerde lippen, zwarte neusspiegel.

Ogen: middelgroot, iets schuingesteld, uitdrukkingsvol, donkerbruin met donkere oogranden.

Oren: aangezet ter hoogte van de ogen of iets hoger, driehoekig en zeer rijk behaard. De uiterste punt rust lich tegen het hoofd.

Gebit: schaar- of tanggebit.

Hals: middellang, gespierd en droog, wordt goed hoog gedragen.

Lichaam: lang en massief, de schoft is slechts licht aangeduid. Rechte en brede rug en lendenen, licht hellende croupe. Diepe en ruime borstkas met normaal gewelfde ribben. De buiklijn is slechts iets opgetrokken.

Ledematen: krachtige botten, rechte en gespierde voorbenen, veerkrachtige voormiddenvoeten, normale hoeking van voor- en achterhand. Stabiele achterbenen, goed van spieren voorzien en evenwijdig.

Voeten: compact en groot, ovaal, goed behaard tussen de tenen en met sterke, zwarte voetzolen en nagels.

Staart: enigszins laag aangezet. Wordt onder de ruglijn gedagen of hoger in opgewonden toestand. In hangende toestand reikt hij tot de punt van de sprong.

Vacht: kort en dicht op hoofd, snuit en de voorkant van voor- en achterbenen, verder lang, dik en hard, recht of golvend. Weelderige ondervacht.

Kleur: Geheel wit.

Schofthoogte: reu 65-70 cm, teef 60-65 cm.